Het centraal stembureau (in dit geval de Kiesraad) verdeelt de zetels en restzetels over de partijen aan de hand van de aantallen daarop uitgebrachte stemmen. Daarvoor berekent het eerst de kiesdeler door het totale aantal geldige stemmen te delen door het aantal Kamerzetels. Het aantal 'volle' zetels dat direct aan een partij wordt toegekend, is gelijk aan het aantal keren dat de kiesdeler is gehaald.
Zetelverdeling ('volle zetels')
Hieronder wordt stapsgewijs uitgelegd hoe de zetels verdeeld worden na de stemming.
- Allereerst worden de stemtotalen van alle deelnemende partijen op lijst- en op kandidaatsniveau vastgesteld.
- Vervolgens wordt de kiesdeler berekend. Dat gebeurt door het totaalaantal op alle kandidaten uitgebrachte geldige stemmen te delen door 150 (= het aantal Kamerzetels). Het resultaat van deze deling wordt de kiesdeler genoemd.
- Vervolgens wordt gekeken hoe vaak de deelnemende partijen qua stemmenaantal de kiesdeler hebben gehaald. Het resultaat van deze deling geeft het aantal volle zetels dat door partijen is behaald.
Het aantal volle zetels zal in de praktijk altijd kleiner zijn dan 150. Resterende, nog te verdelen, zetels heten restzetels.
Restzetelverdeling
Hieronder wordt stapsgewijs beschreven hoe de restzetels verdeeld worden volgens het 'systeem van de grootste gemiddelden'.
- Eerst wordt voor alle partijen berekend hoeveel stemmen per zetel op een bepaalde partij zouden zijn uitgebracht als die partij één zetel extra zou krijgen. De op de partij uitgebrachte stemmen worden gedeeld door het aantal volle zetels plus 1.
- De uitkomsten van deze berekening zijn gemiddelden per zetel; zij worden naar grootte gerangschikt.
- De eerste restzetel gaat naar de partij met het grootste gemiddelde per zetel. Voor deze partij wordt opnieuw berekend wat het gemiddelde nu is, uitgaande van het aantal volle zetels, de toegewezen restzetel en weer één extra zetel.
- Als er nog een restzetel te verdelen is, wordt deze toegewezen aan de partij met nu het grootste gemiddelde.
-
Het centraal stembureau herhaalt de procedure totdat alle restzetels verdeeld zijn.
Alleen partijen die ten minste de kiesdeler hebben behaald, komen bij de restzetelverdeling in aanmerking. Als meerdere partijen gelijke gemiddelden hebben en er niet voldoende restzetels zijn voor toekenning ervan aan die partijen, wordt geloot welke partij de restzetel krijgt.
Zie ook Kieswet art. P 7 en Kieswet art. P 8.
Voorbeeld
De kiesdeler is 10.000. Partij A heeft 34.000 stemmen. Partij B heeft 15.000 stemmen.
Volle zetels
Eerst worden de volle zetels verdeeld.
- Partij A heeft 34.000 stemmen gedeeld door de kiesdeler 10.000 is 3 volle zetels.
- Partij B heeft 15.000 stemmen gedeeld door de kiesdeler 10.000 is 1 volle zetel.
Stel dat er 2 restzetels te verdelen zijn, als we even uitgaan van een parlement van slechts 6 zetels.
Restzetel 1
Voor elke lijst wordt het gemiddelde berekend, als een extra zetel wordt meegerekend. De lijst met het hoogste gemiddelde krijgt vervolgens de restzetel.
Voorbeeld
- Het gemiddelde voor partij A is 34.000/4 (=het aantal volle zetels [3] van partij A + 1 restzetel) = 8.500
- Het gemiddelde voor partij B is 15.000/2 (het aantal volle zetels van partij B + 1 restzetel) = 7.500
Partij A heeft het grootste gemiddelde en krijgt de eerste restzetel. Lijst A heeft nu dus 1 extra zetel.
Restzetel 2
Voor elke lijst wordt opnieuw het gemiddelde berekend. De lijst met het hoogste gemiddelde krijgt de tweede restzetel.
Voorbeeld
- Het gemiddelde voor partij A is nu 34.000/5 (het aantal volle zetels van partij A + de 1e toegewezen restzetel + 1 restzetel) = 6.800
- Het gemiddelde voor B: 15.000/2 (het aantal volle zetels van partij B + 1 restzetel) = 7.500
Partij B heeft bij deze tweede berekening het grootste gemiddelde en krijgt de tweede restzetel. Lijst B heeft nu dus ook 1 extra zetel.
In totaal krijgt lijst A 4 zetels en partij B 2 zetels.
Bijzondere situaties: volstrekte meerderheid en lijstuitputting
Als een partij meer dan de helft van de stemmen heeft (dus een ‘volstrekte meerderheid’) maar niet meer dan de helft van de zetels, dan krijgt deze een (rest)zetel extra. Heeft een partij niet voldoende kandidaten beschikbaar om de haar toegewezen zetels te bezetten, dan gaan deze 'overtollige' zetels over op andere partijen door toepassing van het systeem van de grootste gemiddelden.
Zie Artikel P 5 Kieswet tot en met Artikel P 14 Kieswet
Ja, dat kan.
Bij de verdeling van elke afzonderlijke restzetel wordt het gemiddelde opnieuw berekend. Heeft een partij al een restzetel gekregen? Dan is haar gemiddelde in de verdeling voor de volgende restzetel lager. Maar als de partij ook dan het hoogste gemiddelde heeft, dan krijgt de partij opnieuw een restzetel.
De verdeling van de zetels en de restzetels is uitgewerkt in de Kieswet, volgens het systeem van de grootste gemiddelden. Dit is in lijn met het grondwettelijke principe van evenredige vertegenwoordiging en met de bedoeling van de wetgever.
- Grondwet artikel 53, lid 1
- Kieswet artikel P6 en artikel P7
We gebruiken het systeem van grootste gemiddelden als er 19 zetels of meer verdeeld worden. Voor de Tweede Kamerverkiezingen zijn er 150 zetels. Voor deze verkiezingen gebruiken we dus altijd het systeem van grootste gemiddelden voor het verdelen van restzetels.
Bij minder dan 19 zetels wordt het systeem van grootste overschotten gebruikt. Artikel P 8 van de Kieswet gaat over de restzetelverdeling voor situaties waarbij er in totaal minder dan 19 zetels te verdelen zijn. Voor de Tweede Kamerverkiezingen is deze methode niet van toepassing.
1933: invoering van het systeem van grootste gemiddelden
Het systeem voor de restzetelverdeling dat we gebruiken is in 1933 ingevoerd. We noemen dit het systeem van grootste gemiddelden. Het systeem maakt gebruik van de rekenmethode van Hagenbach-Bisschoff.
Dit besluit werd breed gedragen. Het werd gezien als een manier om politieke versnippering tegen te gaan. Ook kwam expliciet ter sprake dat een lijst volgens deze methode meer dan 1 restzetel kan krijgen. George van den Bergh, het Kamerlid dat deze wijziging in de Kieswet voorstelde, onderstreepte in 1951 in een publicatie nogmaals dat een partij meer dan 1 restzetel kan krijgen.
1935: volle zetel nodig voor restzetel
In 1935 werd toegevoegd dat een partij alleen een restzetel kan krijgen als een volle zetel behaald is. Wie niet reeds een zetel heeft, deelt niet mee voor de rest. Afgezien daarvan is het systeem in essentie niet veranderd.
1989: wijziging van de Kieswet zonder wijziging van restzetelverdeling
In 1989 werd de Kieswet gewijzigd. Maar de verdeling van de restzetels bleef hetzelfde. En opnieuw werd bevestigd dat een partij meerdere restzetels kan krijgen.
1993: integratie van de Wet Europese verkiezingen in de Kieswet
Voor de Europees Parlementsverkiezingen bestond tot 1993 een aparte wet: de Wet Europese verkiezingen. Op 1 april 1993 is deze wet geïntegreerd in de Kieswet, hoofdstuk Y.
Hieruit kan worden afgeleid dat de methode voor de restzetelverdeling voor Europees Parlementsverkiezingen hetzelfde is als voor Tweede Kamerverkiezingen.
2015: nieuwe discussie over de restzetelverdeling
In 2015 was er opnieuw een discussie over de restzetelverdeling. De Kiesraad heeft toen verschillende rekenmethoden op een rijtje gezet. Het advies was uiteindelijk om de huidige rekenmethode te blijven gebruiken. De regering heeft dit advies overgenomen.