Zetelverdeling over kandidaten

Na de verdeling van zetels over de partijen, stelt het centraal stembureau vast welke kandidaten zijn gekozen. Zetels worden in eerste instantie toegekend aan kandidaten die met voldoende voorkeurstemmen zijn gekozen. Als er dan nog meer zetels te verdelen zijn, is de volgorde op de lijst bepalend.

Om te bepalen of er kandidaten met voorkeurstemmen zijn gekozen, worden alle stemmen die de kandidaat in alle kieskringen heeft gehaald bij elkaar opgeteld. Een kandidaat kan op basis van het aantal behaalde voorkeurstemmen een hoger geplaatste kandidaat passeren, op voorwaarde dat hij de voorkeurdrempel heeft gehaald.

Voorbeeld: kandidaat nr. 5 met 100.000 stemmen passeert kandidaat 1 met 75.000 stemmen. Als er maar één zetel te verdelen is, gaat de zetel naar nummer 5. In dat geval moet kandidaat nr. 5 wel de voorkeurdrempel hebben gehaald. Zie Kieswet art. P. 15 en Kieswet art. P 17.

Voorkeurdrempel  

De voorkeurdrempel voor de verkiezingen van de Tweede Kamer is 25% van de kiesdeler.  

Voorbeeld: bij de Tweede Kamerverkiezing in 2012 werden 9.424.235 geldige stemmen uitgebracht. De kiesdeler was dus 9.424.235 : 150 zetels = 62.828. Om met voorkeurstemmen in de Tweede Kamer te komen moet een kandidaat 25% van 62.828 stemmen behalen, dat zijn dus 15707,058 stemmen.

Meervoudig gekozen kandidaten  

Als een kandidaat op meerdere kandidatenlijsten van een partij (in verschillende kieskringen) is gekozen, geldt hij als gekozen op de lijst waarop het grootste aantal stemmen op hem is uitgebracht, voor zover aan die lijst voldoende zetels zijn toegekend.