Advies Kiesraad over wetsvoorstel andere wijze van verkiezing Eerste Kamer

De Kiesraad heeft een advies uitgebracht over een wetsvoorstel dat een andere wijze van verkiezing van de Eerste Kamer beoogt. Hiervoor is een wijziging van de Grondwet nodig. Kern van het wetsvoorstel is dat elke drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer wordt gekozen, en wel voor een periode van zes jaar. In plaats van iedere vier jaar in zijn geheel. Dit is een terugkeer naar hoe het was tussen 1922 en 1983.

De Kiesraad adviseert om tijdig de mogelijke neveneffecten van deze andere wijze van verkiezing van de Eerste Kamer in kaart te brengen. Gewezen wordt op de mogelijke effecten van een hogere kiesdeler. Dit kan ertoe leiden dat kleine partijen minder gemakkelijk toegang tot de Eerste Kamer hebben.

Grondwetsherziening

De verkiezing van de leden van de Eerste Kamer wordt op hoofdlijnen in de Grondwet geregeld. Nadere uitwerking vindt plaats in de Kieswet. Devraag of het wenselijk of noodzakelijk is om de Grondwet te wijzigen om een andere wijze van de Eerste Kamerverkiezing mogelijk te maken wordt in het advies buiten beschouwing gelaten. Dit is een beleidsmatige keuze en geen uitvoeringstechnische aangelegenheid.

Hogere kiesdeler

Een van de mogelijke neveneffecten van de voorgestelde wijze van de Eerste Kamerverkiezing is een verhoging van de kiesdeler. En wel omdat het bij de driejaarlijkse (gedeeltelijke) verkiezing van de Eerste Kamer om minder zetels gaat dan nu het geval is (37 of 38 in plaats van 75). Een grotere kiesdeler kan ertoe leiden dat kleine partijen minder gemakkelijk toegang hebben tot de Eerste Kamer. De Kiesraad adviseert om dit aspect tijdig uit te werken, zodat voor de grondwetgever duidelijk is wat de mogelijke gevolgen zijn van deze andere wijze van verkiezing op de samenstelling van de Eerste Kamer.