Als politieke partijen een bepaald - vastgesteld - percentage van de stemmen moeten halen om een zetel te bemachtigen, dan spreekt men van een kiesdrempel. De kiesdrempel staat dus voor het aantal stemmen dat nodig is voor het behalen van één zetel. Zo moeten partijen in Duitsland 5% van de stemmen halen en in Zweden is dit percentage zelfs 10%. Met een kiesdrempel wordt geprobeerd versplintering, met veel kleine partijen, te voorkomen.
Nederland kent formeel geen kiesdrempel. Wel komt een partij bij Tweede Kamer - en Europees parlementsverkiezingen pas in aanmerking voor een zetel als het de kiesdeler heeft behaald. Dit komt doordat voor deze verkiezingen is geregeld dat een partij die geen reguliere zetel heeft gehaald, niet in aanmerking komt voor een restzetel. Daarmee werkt de kiesdeler als een soort kiesdrempel. De kiesdeler is het aantal stemmen dat je moet behalen om in aanmerking te komen voor één zetel. De kiesdeler wordt berekend door het totale aantal uitgebrachte geldige stemmen te delen door het aantal Kamerzetels.
Een voorbeeld. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 werden 9.838.683 stemmen uitgebracht. De kiesdeler was dus 9.838.683 : 150 zetels = 65.591,22.
Bij de verkiezingen van provinciale staten en gemeenteraden kan een lijst die de kiesdeler niet heeft gehaald, wél een restzetel behalen. Dit verschil wordt gerechtvaardigd door het feit dat bij die verkiezingen een kleiner aantal zetels te verdelen is dan bij verkiezingen voor Tweede Kamer en Europees parlement.
Als een partij in verschillende kieskringen verschillende lijsten heeft ingediend, wordt gewerkt met een groepskiesdeler: de kiesdeler die geldt voor de verdeling van de zetels over de verschillende lijsten binnen een lijstengroep. Deze wordt berekend door het totale aantal op de lijstengroep uitgebrachte stemmen te delen door het aantal zetels dat aan de groep is toegekend.