De berekening van de verkiezingsuitslag verloopt in twee fasen. In de eerste fase wordt het aantal beschikbare zetels over de politieke partijen verdeeld. In de tweede fase worden de kandidaten aangewezen. Dit wordt geregeld in hoofdstuk P van de Kieswet.
Uitgangspunt voor het centraal stembureau bij de Tweede Kamerverkiezingen, provinciale statenverkiezingen en de Europese Parlementsverkiezingen vormen de processen-verbaal van de hoofdstembureaus. Hierin staat vermeld hoeveel stemmen de lijsten van de politieke partijen en de op die lijsten vermelde kandidaten hebben behaald. Deze processen-verbaal zijn gebaseerd op de totalen die de burgemeesters voor hun gemeente hebben vastgesteld, uit de processen-verbaal van de stembureaus.
Bij gemeenteraadsverkiezingen wordt de tussenstap van de gemeentelijke totalen overgeslagen en baseert het centraal stembureau zich direct op de gegevens van de stembureaus. Het centraal stembureau fungeert in dat geval namelijk ook als hoofdstembureau.
Op basis van het aantal stemmen wordt bepaald hoeveel zetels de verschillende partijen krijgen. Bij deze bepaling speelt de kiesdeler een rol. Alleen de Eerste Kamer wordt indirect gekozen, door de leden van de provinciale staten. Niet alle stemmen van statenleden hebben een zelfde gewicht. Op basis van het aantal inwoners van een provincie stelt de Kiesraad de stemwaarde van de diverse "statenstemmen" vast.