Nederlanders van achttien en ouder hebben actief en passief kiesrecht. Het actief kiesrecht is het recht om te stemmen. Het passief kiesrecht is het recht om gekozen te worden. Het kiesrecht geldt voor: Tweede Kamer, provinciale staten, gemeenteraad en Europees Parlement.
Na de invoering van het algemeen kiesrecht (voor mannen in 1917 en voor vrouwen in 1919) bestond er lange tijd een opkomstplicht bij verkiezingen. In 1970 werd deze wettelijke verplichting afgeschaft en rust er op burgers nog slechts een morele verplichting om op democratische wijze hun vertegenwoordigers aan te wijzen.
De voorwaarden om te mogen stemmen hangen af van het type verkiezing. In alle gevallen geldt dat de kiezer achttien jaar of ouder moet zijn en niet en niet uitgesloten moet zijn van het kiesrecht.
Meer specifiek:
De voorwaarden om verkiesbaar te zijn voor de verschillende verkiezingen komen overeen met die voor het actief kiesrecht. Met één verschil: bij verkiezingen voor provinciale staten en gemeenteraad is de toetsdatum van de woonplaats niet de dag van kandidaatstelling, maar de dag van (eventuele) toelating.
Het kiesrecht is als grondrecht in de Grondwet opgenomen. Verder kent de Grondwet nog enkele basisbepalingen omtrent het kiesrecht. Regelingen van het kiesrecht voor Tweede en Eerste Kamer, provinciale staten, de gemeenteraden en het Europees Parlement zijn opgenomen in de Kieswet en het daarop gebaseerde Kiesbesluit.
Elders op de website vindt u een item over stemmen door niet-Nederlandse inwoners.